-
Goed Gevoel - Logo
gezondheid/psycho
Goed Gevoel
Goed Gevoel

Driftige kleuters, kleuters op drift?

Blinde razernij, vlammende woede: als kinderen boos worden, zetten ze graag alle registers open. Maar wanneer wordt vervelend gedrag echt een probleem? En hoe kan je de bui voorkomen, of temperen?

Ouders hoeven niet aan bungeespringen of canyoning te doen: voor een stevige adrenalinerush kan een eenvoudig bezoek aan de supermarkt al volstaan. Jengelende peuters met grijpgrage handjes, kleuters die stampvoetend de speelgoedstand verlaten, en - o, ultieme kick - kinderen die over de grond rollen als ze dat leuke snoepje aan de kassa niet krijgen... Ze maken van de supermarkt een examenlokaal van de opvoeding, waar menig ouder in elkaar krimpt onder de strenge blikken van de omstanders ('Kijk, vast weer zo'n verwend nest van drukke tweeverdieners') en maar niet begrijpt waarom andere kinderen wél zo stil in het karretje lijken te zitten.

Is er een probleem?
'Is dit nog normaal gedrag?' Iedereen met een temperamentvolle peuter van twee moet zich dat weleens afgevraagd hebben. Wees gerust, eisend, grensverleggend gedrag is op die leeftijd nog heel normaal. Pas vanaf vier, vijf jaar kan er een patroon zichtbaar worden van onhandelbaar gedrag, dat vaak blijft toenemen in de loop der jaren. Opstandige kleuters worden daarom ook 'vroege starters' genoemd (tegenover de 'late starters', jongeren die zich pas in de puberteit moeilijk opstellen en bij wie het lastige gedrag meestal afneemt na de 'apenjaren'). Precies omdat agressie en opstandigheid bij kleuters mettertijd verergeren en hardnekkiger worden, is een vroege aanpak belangrijk. Vandaar dat STOP (Steunpunt en Trainingscentrum Opvoeding) een intensief, wetenschappelijk onderbouwd trainingsprogramma aanbiedt voor 4- tot 7-jarigen met gedragsproblemen. Of ze voor zo'n training in aanmerking komen, wordt onder meer bepaald aan de hand van een internationaal erkende vragenlijst. Els Merlevede van STOP: 'Als daaruit blijkt dat kinderen een verhoogde kans lopen op problematisch gedrag, dan komen ze in aanmerking om deel te nemen aan de bijeenkomsten hier, of aan het Kastanjeproject (zie kader). Maar het allerbelangrijkste om te bepalen of er een probleem is, blijft: hoe ervaren de ouders of de school het gedrag? Soms kan een kind ook een doetje zijn thuis, maar op school voor problemen zorgen - of omgekeerd.'

'Breng ze eens een paar dagen naar mij...'

Bijzonder aan de aanpak van STOP is dat niet alleen de kinderen, maar ook ouders en leerkrachten bij de training betrokken worden: de kinderen komen tien keer een dag samen in kleine groepjes; de ouders komen twee middagen meewerken, en komen ook nog eens tien middagen samen om opvoedingsthema's te bespreken. De leerkrachten van de kinderen werken drie ochtenden met een begeleider rond opvoeding in de klas. Ouders en leerkrachten worden zo gepromoveerd tot cotherapeuten die het kind in z'n dagelijkse omgeving kunnen helpen.

Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat je via de opvoeders veel kunt bereiken, maar dat een onhandelbare kleuter níet de fout is van de ouders - ook al krijgen die dat in hun omgeving vaak te horen. Els Merlevede: 'Je hoort vaak dingen als: 'Breng ze een week naar mij, ze zullen wel luisteren.' Maar er zijn veel verschillende factoren die meespelen. Elk kind heeft een bepaald temperament waar je als ouder niet direct vat op hebt. De omgeving waarin het kind opgroeit, speelt ook een rol. En dan is er nog de manier waarop een ouder zijn kind opvoedt, die ook weer door een aantal factoren bepaald wordt, zoals stress op het werk, werkloosheid, relatieproblemen, een zieke in het gezin, wat een ouder zelf meegemaakt heeft als kind, welk soort opvoeding hij heeft gekregen. Een alleenstaande moeder die in een klein appartementje woont met een kind met ADHD wordt geconfronteerd met heel wat factoren die het voor haar moeilijk maken en die ook moeten worden aangepakt. Als die vrouw in een ruimere omgeving kan wonen, of het kind meer plaats heeft om buiten te spelen, dan maakt dat een belangrijk verschil. Maar wij richten ons vooral op opvoeders en kinderen, omdat je daar direct veranderingen teweeg kan brengen. We geven de ouders en leerkrachten een aantal tips mee, proberen bij de kinderen dingen te verschuiven, waardoor de interactie iets makkelijker wordt.'

De stilte voor de storm voor de stilte...

Terug naar de supermarkt. In het heetst van de strijd verzucht je: 'Toe dan maar, néém zo'n snoepje, maar stop met huilen!' En kijk, plots wordt het zo heerlijk stil. Volgens Els Merlevede is de supermarktuitbarsting een klassiek voorbeeld van wat ze in de psychologie het 'dwingproces' noemen: als je op zulke momenten toegeeft aan je kind, leert het dat het z'n zin kan krijgen door z'n keel open te zetten en zich op de grond te storten, terwijl je als ouder het gevoel krijgt dat het kabaal alleen stopt als je de kleine lastpak z'n zin geeft. Daardoor versterk je elkaars gedrag. Gevolg: jullie vallen telkens op hetzelfde gedrag terug. 'Ik denk dat er geen enkele ouder is die op zo'n moment nog nooit heeft toegegeven, alleen al vanwege de blikken die je krijgt', zegt ze. 'Als dat maar een paar keer is, geeft dat ook niet. Maar als het een patroon wordt van omgaan met elkaar, dan moet dat doorbroken worden.'
Hoe dan? Door kinderen structuur en duidelijke afspraken te geven, door te werken aan hun oplossingsvaardigheden, door je betrokkenheid als opvoeder bij je kind te tonen, door toezicht te houden en... met veel complimentjes over wat wél goed gaat. Dat zijn de vijf pijlers van het programma van STOP, dat dan weer deels gebaseerd is op de opvoedingsvaardigheden van de Amerikaan Gerald R. Patterson (Oregon Social Learning Center).
Vooral het hoofdstuk 'complimentjes' blijkt voor de kleine driftkikkers - vaak erg onzekere kinderen - cruciaal. Els Merlevede: 'Het uitgangspunt is dat we een emotioneel veilig klimaat creëren, omdat een kind dat moeilijk doet vaak alleen nog negatieve opmerkingen krijgt, waardoor het nog onzekerder wordt, en zich nog vervelender gaat opstellen. We stimuleren mensen om oog te hebben voor wat wél goed gaat en daar ook een complimentje over te geven. We merken wel dat sommige kinderen het zo gewoon zijn om negatieve opmerkingen te krijgen dat ze nog niet zo goed omkunnen met positief commentaar. Vaak wordt hun gedrag dan eerst een paar dagen of weken erger, en kan het dan pas tot verandering leiden.'

Ik ben een schildpad
Omdat lastige kinderen zich vaak geen blijf weten met hun woede, moeten ze daar anders mee leren omgaan. Ze leren onder andere hoe je boosheid kan herkennen en hoe je daarmee kan omgaan. Els Merlevede: 'We stellen vragen als: 'Hoe kun je zien of iemand blij is? Of bang is? Of boos?' 'Als je verdrietig bent, wat voel je dan?' Aan de hand van spelletjes geven we hen de basisgevoelens mee. Dan oefenen we met hen stapsgewijs: 'Als je wilt meespelen, hoe kun je dat vragen?' 'En hoe kan je reageren als je niet mag meespelen?' Opvallend is dat die kinderen veel agressieve oplossingen aanbrengen, en dat ze ook niet veel verschillende oplossingen geven. Meestal is het in de trant van: 'Ik pak het af, ik ga erop kloppen', of ook: 'Ik ga wenen, ik ga het aan de juf zeggen.' Dan kiezen ze de slachtofferrol, omdat ze ervaren hebben dat volwassenen dan voor hen opkomen. We stimuleren kinderen om zoveel mogelijk creatieve oplossingen te zoeken. Als kinderen iets echt niet leuk vinden, leren we hen ook dat je als een schildpad in je schild kunt kruipen. We oefenen dat letterlijk met hen.'

Ochtendspits in de badkamer

Nog een belangrijke pijler vormen de afspraken: is wat je van je kind verlangt duidelijk? Is het niet te veel in één keer? Els Merlevede: 'Ouders verwachten dikwijls veel van kinderen. 's Morgens verloopt het allemaal wat hectisch en op een bepaalde leeftijd wil je dat kinderen zich aankleden, hun boterhammetje opeten, hun schooltas meenemen, dat die hele routine vlot gaat. Bij kinderen die wat drukker zijn en niet het overzicht hebben dat wij als volwassenen wel hebben, lukt dat vaak niet. Dan kan het helpen om meer structuur aan te brengen, de ochtend in kleine stapjes te verdelen. We horen zelfs van ouders die in de badkamer een blad ophangen met het schema van het hele badkamergebeuren, voorgesteld aan de hand van tekeningen. Of die de kinderen per stapje een stickertje laten plakken. Hebben ze een stap niet afgelegd, dan blijft dat vakje open. En dat moet ook kunnen: kinderen hoeven geen tien op tien te halen.'

Eerst de wekker, dan opruimen
Als kinderen zich moeilijk gedragen, kan het zinvol zijn te analyseren wat er precies aan de hand is: wat gaat eraan vooraf, wat volgt erop? 'We proberen ouders de moeilijke momenten in kaart te laten brengen, maar ook de momenten dat het wel lukt, en dan na te gaan: hoe zou dat komen? Misschien hebben ze de wekker die ochtend vroeger gezet, de schooltas de avond tevoren gemaakt, in de badkamer een structuur opgehangen... Dat maakt dat ze zelf rustiger zijn, er ook tijd is voor positieve aandacht, lachen... Een ander voorbeeld: stel dat een kind vaak een driftbui krijgt als het tegen bedtijd z'n speelgoed moet opruimen. Misschien bereid je je kind beter wat voor, bijvoorbeeld door een keukenwekkertje te zetten, en te zeggen: 'Als het belletje gaat, wordt er opgeruimd.''
Duidelijkheid scheppen houdt ook in dat je zo consequent mogelijk bent - wat op papier makkelijker is dan in werkelijkheid. Zo verstaan kinderen de kunst je van alles te vragen terwijl je net druk bezig bent pannen of strijkijzers onder controle te houden. 'Veel ouders zijn dan geneigd om, haast op automatische piloot, nee te zeggen. En als ze daar achteraf op moeten terugkomen, leert een kind: 'Een nee van mama of papa, dat kan altijd nog veranderen.' Hoe moeilijk het soms ook is, je bent beter af als je eerlijk zegt dat je even wilt nadenken. Wat kinderen ook vaak doen in een tweeoudergezin is iets aan de ene ouder vragen en als die nee zegt, naar de andere ouder stappen. Partners zouden dus zoveel mogelijk de tijd moeten nemen om te zeggen: 'Ik zal het even met mama of papa bespreken'.'

Wie zoet is, krijgt...
Nog eens terug naar de supermarkt. Door de priemende blikken van anderen is het geen ideaal oefenterrein, maar je zou daar ook kunnen werken met duidelijke afspraken en met complimentjes. 'Een van de ouders in onze training vertelde dat ze haar kind nu in elke gang een opdracht geeft: hier moet je de cornflakes zoeken, daar mag je het karretje duwen... Da's een heel leuke manier om de verveling tegen te gaan. Eventueel kun je afspreken dat als het kind in drie van de vijf gangen flink is geweest, het aan de kassa iets kleins mag kiezen, of dat je na het winkelen nog even naar het speelpleintje gaat. We proberen ouders te laten denken op het niveau van de kinderen, in kleine stapjes.'

Een beloning in het vooruitzicht stellen is dus prima. Zeker bij kleine kinderen is het belangrijk dat ze vrijwel meteen na het positieve gedrag volgt: veel kleine, snelle beloningen werken beter dan één grote op lange termijn, omdat kleintjes dan het verband tussen hun gedrag en het gevolg niet zo goed kunnen leggen. Sommige ouders maken met hun kinderen zelfs een lijst op van materiële beloningen (een snoepje of hebbedingetje), sociale beloningen (een complimentje krijgen, een knuffel), en actiebeloningen (ravotten met een van de ouders, het verhaaltje mogen kiezen dat wordt voorgelezen). 'Een aantal kinderen zal aanvankelijk nogal grote beloningen noemen, zoals naar Disneyland gaan', lacht Els Merlevede. 'Maar dan raden we ouders aan hen dingen te laten kiezen die niet zoveel kosten, maar wel heel leuk zijn: samen een spelletje spelen, mogen meehelpen om een taart te bakken, frietjes eten uit een zak, gaan zwemmen, een extra verhaaltje voor het slapengaan. Soms is het zelfs gewoon dat mama of papa naast hen komt zitten als ze naar hun tv-programma kijken. Nabijheid van een volwassene vinden ze doorgaans zeer leuk, juist omdat ze al zo vaak negatieve aandacht krijgen.'

Dat is straf!
Een driftbui is als een golf: van bij de aanleiding stijgt de woede, tot de bui op een hoogtepunt komt - het point of no return - en weer geleidelijk afneemt. Soms lukt het om in die allereerste seconden te reageren, zodat de bui minder hevig wordt. Als je weet dat je kind zal ontploffen als z'n speelgoed wordt afgepakt, en je ziet zoiets gebeuren, kan je razendsnel inpikken met een complimentje: 'Da's niet leuk dat je speeltje wordt afgepakt, maar wat flink van jou dat je niet hebt geweend...' Els Merlevede: 'Dat lukt lang niet altijd, maar als het met je complimentje niet werkt, kan je wel proberen om nog zo vroeg mogelijk in te grijpen, bijvoorbeeld door een kind even apart te zetten. Het is de kunst om het snel genoeg te doen, want op het hoogtepunt van de driftbui lukt er eigenlijk niks meer: dan kan je alleen afwachten tot het weer overgaat. Het is ook beter om een kind dikwijls apart te zetten, maar dan kort - een paar minuutjes - dan een hele voormiddag geduldig te zijn en het kind dan een halfuur apart te zetten. Dat vergt wel wat oefening. Kinderen hebben nogal wat weerstand, gaan ouders uitdagen, tieren, lelijke woorden zeggen, of doen alsof het hen allemaal niks kan schelen. Als je dat kunt negeren, kalmeert het kind wel. Het is een uiting van emoties, en het is ook wel belangrijk dat kinderen die kwijt kunnen.'

Als een kind echt weigert in time-out te gaan, kan het nodig zijn een straf te gebruiken, al komt het erop aan dat zo weinig mogelijk te doen. Anders verliest een straf sowieso z'n effect. Een 'goede' straf is ook mild: dat is niet alleen van belang voor het kind, maar ook voor de ouder. 'Op het moment dat je als ouder of leerkracht een straf uitspreekt, ben je zelf ook al wat geagiteerd en spreek je vaak iets uit wat niet haalbaar is: 'En je gaat nu de hele week geen tv meer kijken' - iets waarmee je ook jezelf plaagt. Je moet proberen te vermijden dat je moet terugkomen op je straf, want dan leert je kind: 'Ze delen wel straf uit, maar uiteindelijk valt het mee.' Dan zit je weer in dat dwingproces, en dat moet je juist proberen te voorkomen.'

Door Kaat Schaubroeck
(Goed Gevoel, juli 2004)

29/08/07 17u25
mailIcon print | | Meer bookmarks |

Deel jouw mening

met alle Goed Gevoel-lezeressen

 

Alles over

Test jezelf! Pagina 1 van 1

Hoe vruchtbaar ben jij? Welk type moeder ben jij? Hoe positief voed jij op? Wat voor band heb jij met je huisdier? Hoe vrij laat jij je kind? Hoe sterk voel jij je betrokken bij de school van je kind? Wat is jouw visie op het schoolsysteem? Hoe emotioneel beschikbaar ben jij voor je kind?
| 1 |