Als de perfecte slaap een obsessie wordt: slaapexpert over ‘orthosomnia’ en het gevaar van sleeptrackers

doorFleur De Backerop 21/03/2022

Van schaapjes tellen tot sleeptrackers. Meten is weten — en soms ook zweten: wie lijdt aan ‘orthosomnia’, is bezeten door de perfecte nachtrust, met alle gevolgen van dien. Somnoloog Alexander van Daele legt uit hoe je de aandoening ‘orthosomnia’ precies herkent en wat je eraan kan doen. “Sleeptrackers kunnen slaapproblemen veroorzaken. Ze staan ook nog niet eens op punt.” 

De wekker afdrukken, je ogen openen en een blik werpen op je smartwatch. Gevolgd door gevloek: slechts zes uur vertoefd in dromenland, veel lichte slaap bovendien. Wordt het niet gedeeld of geregistreerd, dan telt het anno nu niet. En dat geldt ook voor onze slaap. Sleeptrackers, apps en andere hippe gadgets: we schaffen ze maar al te graag aan om onze nachtrust op te krikken. 

“Maar sleeptrackers zijn niet heiligmakend. Meer zelfs, ze kunnen slaapproblemen veroorzaken”, zegt psychiater en somnoloog ­Alexander van Daele. Enter orthosomnia: als je gefixeerd bent op de perfecte slaap, kan dat je nachtrust flink verstoren.

Vicieuze cirkel

De term ‘orthosomnia’ (ortho betekent ‘juist, goed’ en somnia ‘slaap’) werd voor het eerst gebruikt in een Amerikaanse casestudy in 2017. Het woord refereert aan orthorexia, wat een ongezonde focus op gezond eten betekent. Alexander van Daele: “Het begint allemaal met een ­ideaalbeeld van je nachtrust. Haal je dat doel niet volgens jouw app of gadget, dan ben je ontevreden. Ongerust zelfs. Je piekert over je slaapkwaliteit, en door die stress dommel je moeilijker in, slaap je lichter en word je vaak wakker. Een vicieuze cirkel van machteloosheid, stress, ongezond slaapgedrag en frustratie.” 

De somnoloog raadt mensen met slaapproblemen daarom af om sleeptrackers te gebruiken. “Het idee is mooi, maar sleeptrackers staan nog niet op punt. Ze focussen op bewegingen en hartslag, terwijl de hersenactiviteit meten de enige doeltreffende manier is om de kwaliteit van slaap te analyseren. Dat kan voorlopig alleen met een polysomnografie (PSG), waarbij er elektroden op je hoofd bevestigd worden.”

Slaapdagboek

Om opnieuw grip te krijgen op je nachtrust is een slaapdagboek een beter idee, vindt hij. “Slecht slapen wordt (in het geval van chronische slapeloosheid) grotendeels veroorzaakt door aangeleerde overtuigingen over je slaappatroon en het daaruit voortkomende gedrag. Precies daarom werkt cognitieve gedragstherapie zo doeltreffend bij insomnia. In een dagboek pen je elke dag neer hoe je je slaap ervaren hebt. Hoelang heb je in bed gelegen? Wanneer lag je wakker? En hoeveel uren denk je dat je geslapen hebt?”

Vervolgens neem je gepaste maatregelen. “Merk je bijvoorbeeld dat je tien uur lang in bed ligt, terwijl je in totaal maar aan vijf uur slaap komt, dan kan slaaprestrictie een goede methode zijn. Je verlaat het moment waarop je gewoonlijk naar bed gaat of je vervroegt het tijdstip dat je normaal gezien opstaat, zodat het aantal uren in bed meer in de buurt komt van je effectieve slaaptijd. Indirect leer je jezelf op die manier opnieuw aan dat je bed gelijkstaat aan slapen.” 

Moeten we die o zo heilige acht uur slaap dan durven los te laten? Van Daele vindt van wel. “Ja, voor sommigen is acht uur echt noodzakelijk. Anderen voelen zich dan weer prima bij zes of zeven uur slaap. We moeten stoppen met te focussen op de kwantiteit van slaap, en meer zorg dragen voor de kwaliteit ervan.” 

Meer lezen? Nooit meer niet meer slapen, Jelmer Jepsen en Alexander van Daele (Unieboek Het Spectrum, € 21,99, verschijnt 24 maart)