‘Broddelen’ is veelvoorkomend, maar nog onbekend spraakgebrek: “Bij broddelaars draait het wiel te snel. Ze struikelen over hun woorden”

doorNathalie Topsop 26/03/2021

Broddelen. Het lijkt op stotteren, maar is het niet. In plaats van te haperen, struikelen sommigen over de woorden die in topsnelheid uit hun mond komen: politie wordt ‘plisi’, agressief ‘agsief’. Broddelen is een ­onbekend maar vaak voorkomend spraakprobleem. “Hun denkwijze is te snel voor woorden. Maar omdat ze van zichzelf onvoldoende auditieve feedback krijgen, hebben ze dat niet door.”

‘Die stewardess van Anderlecht, die een gele kaart kreeg.’ ‘Bedoel je Suarez?’ ­‘Barcelona tegen Bimbo, in de finale.’ ‘Bimbo? Bilbaaa-oo!’ Typ ‘Johan Boskamp’ in op Google, en de zoekmachine zet er automatisch ‘versprekingen’ bij. De Nederlandse voetbalanalist etaleert vaak en graag zijn uitgebreide ­voetbalkennis tijdens talkshows. 

Minpuntje: de Rotterdammer heeft al eens moeite met het uitspreken of ­onthouden van namen. Speler ‘El Ahmadi’ noemt hij met volle overtuiging ‘El Mahadi’, terwijl het Deense FC Midtjylland als ‘Mietjesland’ uit zijn mond komt. ­Hoewel zijn versprekingen intussen legendarisch zijn, lijkt Boskamp zich van geen kwaad bewust. Telkens is hij fel verbaasd dat zijn uitspraak niet de correcte is. Die verwondering is niet gespeeld. Net zomin als dat zijn vele versprekingen aan zijn Rotterdamse accent te wijten zouden zijn. 

“Het probleem ligt eerder bij zijn taalplanning”, legt logopediste en stottertherapeute Caroline Moerenhout uit. “De productie van taal verloopt in stappen: denken, formuleren, woorden en de daarbij horende klanken klaarzetten en ten slotte uitspreken. Bij sommige mensen lopen die stadia door elkaar: ze zijn al aan het spreken nog voor de formulering rond is. Daardoor raakt het aandachtssysteem overbelast, met als gevolg dat er gestruikeld wordt over lettergrepen of zinsdelen. 

Dat zie je ook bij Boskamp: hoe vaak hij een ingewikkelde naam ook hoort, toch krijgt hij de klanken moeilijk juist ingepland en uitgesproken.” Dit spraakprobleem heeft een naam: broddelen.

Woordenbrij

Doet die term niet meteen een belletje rinkelen? Dan ben je niet de enige. Broddelen is niet nieuw, de aandacht ervoor wel – zelfs onder logopedisten. Zo’n tien jaar geleden kreeg het spraakprobleem voor het eerst bekendheid bij onze noorderburen. Dat was deels te danken aan hun ex-premier Balkenende. Tijdens onvoorbereide speeches slikte hij vaak woord- of zinsdelen in: ‘De mispreesdent ging naar de koonke fmilie om te spreken over de colitie’. (Vertaling: ‘De minister-president ging naar de koninklijke familie om te spreken over de coalitie.’) Daarmee was hij een schoolvoorbeeld van broddelend spreken.  

Op eigen bodem zijn Caroline Moerenhout en haar man en collega Gert Reunes al jaren de drijvende kracht achter vzw BeSt, de belangengroep voor stotterende én broddelende mensen. “Broddelen werd en wordt vaak ten onrechte als stotteren bestempeld. Beide vloeiendheidsstoornissen zijn verwant aan elkaar, maar toch zijn er fundamentele verschillen. Bij mensen die stotteren lijkt het alsof iemand een stok in hun wielen steekt. Daardoor komen ze moeilijk uit hun woorden. Bij mensen die broddelen draait het wiel te snel: ze hebben op zich geen moeite met het produceren van woorden of klanken, maar wel met het nemen van de tijd. Daardoor struikelen ze over hun eigen woordenvloed.”

“Tegelijkertijd raakt ook het auditieve feedbacksysteem verstoord. Daarmee registreert een spreker zelf of hij te snel, niet vloeiend of niet verstaanbaar praat. Bij broddelen eist de spreeksnelheid echter zo’n groot deel van de energie op dat er aandacht noch tijd overblijft om spreekfouten te detecteren.”

Hersenscans bevestigen dat mensen die broddelen meer moeite hebben om hun taal te plannen: de hersengebieden die betrokken zijn bij de taalproductie en spraak, vertonen bij hen meer activiteit dan bij anderen. ‘Een ­mogelijke hypothese is dat een aantal van hen beelddenkers zijn: ze denken in plaatjes en niet in woorden. Vaak zien ze het grote geheel en overzien ze concepten in één oogopslag. Hun taalformuleringssysteem kan die snelle redenering echter niet volgen: ze willen te veel zeggen in een te korte tijd, waardoor de samenhang verloren gaat.”

Geen sloddervossen

De termen ‘broddelen’ en het Engelse ‘cluttering’ lijken dan ook niet toevallig gekozen. Mensen die broddelend spreken, lijken er verbaal namelijk een boeltje van te maken. In de terminologie zelf zit meteen het hardnekkigste vooroordeel over de stoornis, legt de logopediste uit. 

“Nee, mensen die broddelen zijn niet te lui om fatsoenlijk te articuleren. Hun denkwijze is te snel voor woorden. Maar omdat ze van zichzelf onvoldoende auditieve feedback krijgen, hebben ze dat niet door. Zeker in de beginjaren zijn ze zich weinig bewust van hun spreekstijl. Wanneer een luisteraar om herhaling vraagt, wijten ze dat aanvankelijk aan hem. In hun eigen hoofd is hun ­betoog snel en vlot.”

“De toehoorder is helaas een andere mening toegedaan: die krijgt een verhaal voorgeschoteld dat op topsnelheid afgehaspeld wordt, terwijl de inhoud met haken en ogen aan elkaar lijkt te hangen. ‘Trager spreken, beter articuleren!’, luidt de feedback keer op keer.  Maar als je zelf niet hoort wat er mis is, hoe kan je dan iets veranderen? Vergelijk het met iemand die vals zingt, maar toch aan een talentenjacht deelneemt. Die persoon doet dat niet om uitgelachen te worden, maar omdat zijn ­gezang in zijn eigen hoofd wél loepzuiver klinkt.”

Vraagtekens

Met het ouder worden groeit vaak het besef dat er iets schort aan de spraak, legt Caroline uit. “Broddelen draait rond drie componenten: snelheid, taalformulering en aandachtscapaciteit. We zien dat de drie pas echt in conflict komen vanaf de tienertijd. Puur biologisch ­gezien gaan pubers sowieso sneller praten, terwijl ook de complexiteit van hun woorden en zinnen toeneemt. Dat resulteert in een verhoogde belasting van ons aandachtssysteem. Als blijkt dat de taalformulering en het spraaksysteem in de problemen komen door de spreeksnelheid, kunnen we effectief de diagnose van broddelen stellen.”

Het conflict tussen snelheid, complexiteit en aandachtsspanne piekt rond het 15de à 16de levensjaar. “In die periode winnen de verbale capaciteiten aan belang en neemt het aantal spreektaken toe. Tegelijk groeit het zelfbewustzijn: mensen die broddelen merken gaandeweg zelf dat ze slecht spreken, maar kunnen de vinger niet op het probleem leggen.”

Aha-erlebnis 

Omdat broddelen relatief onbekend is, blijft het probleem soms lang onder de radar, en dat kan verregaande psychologische gevolgen hebben. “Heel wat hoogopgeleide volwassenen voelen zich bijvoorbeeld sociaal of communicatief geremd door hun spraakprobleem.” 

Zo kreeg Caroline Bart over de vloer: tijdens een enthousiaste brainstorm zag die zijn collega’s plots gniffelen. Wat er zo grappig was? De vakterm ‘capabilities’ klonk bij sneltrein Bart als ‘kippenbilletjes’. “Dat hij eindelijk een term op zijn probleem kon plakken, was voor hem een aha-moment.” Met broddeltherapie leerde Bart anders spreken. Niet trager, wel bewuster. 

Moerenhout: “Ik heb het liever over ‘bewust’ leren spreken. Ook omdat het in de eerste plaats om bewustwording draait: iemand moet eerst zelf beseffen hoe hij spreekt. Dat lukt vaak pas als ze een opname van zichzelf horen. Het tweede codewoord is tijd: door die te leren nemen, stellen ze zichzelf in staat om pauzes te nemen, hun verhaalstructuur op te bouwen en hun articulatie te verbeteren. Een soort knopje waarmee ze hun spreeksnelheid kunnen verlagen dus.”

Thomas bedwong zijn broddelen met therapie: “Als ik vrienden bijvoorbeeld een grappig verhaalde wilde vertellen, merkte ik dat de aandacht vaak verslapte, en het gelach uitbleef”

“Broddelen? Voor mij was dat lang synoniem aan ‘geknoei’. Toen de term zo’n zeven jaar geleden viel, voelde dat haast als een aanval. Ik, die hulp zocht voor mijn hardnekkige stotterprobleem, hoorde het in Keulen donderen. Bovendien kreeg ik het woord zelf amper uitgesproken. Het kwam eruit als een letterbrij. (lacht) Ik weet nog dat ik na mijn eerste sessie naar huis reed en dacht: die therapeuten, dat lijken me maar weirdo’s! Pas toen ik voor het eerst naar een opname van mijn eigen stem luisterde, viel het kwartje: dat snelle, mompelende praten met weinig articulatie en structuur had inderdaad veel weg van wat Caroline en Gert als ‘broddelen’ bestempelden.”

“Of, zoals mijn lerares uit de lagere school het verwoordde: ‘Thomas, je praat zo binnensmonds en snel – het lijkt wel alsof je een hete aardappel in je mond hebt!’ Mijn stotteren en broddelen hielden elkaar in stand, zo leerde ik. En hoewel ik zelf lang niet doorhad dat ik broddelde, bleek het spraakprobleem toch meer invloed te hebben op mijn leven dan ik dacht. Als ik vrienden bijvoorbeeld een grappig verhaalde wilde vertellen, merkte ik dat de aandacht vaak verslapte, en het gelach uitbleef. Omdat mijn relaas te weinig structuur had, besef ik nu.”

“Al was het op professioneel vlak dat de therapie de meeste deuren opende. Ik heb een technische job, waarin mijn ­probleemoplossend vermogen een belangrijke eigenschap is. Alleen: voor elk probleem heb je al snel tien oplossingen. Vroeger wilde ik die allemaal tegelijk verwoorden, waardoor een onsamenhangend hoopje geneuzel ontstond. Met de therapie leerde ik rust in te bouwen in mijn spreken én denken: ik spreek nu niet alleen trager, maar ook gestructureerder.”

“Dat wierp op professioneel vlak zijn vruchten af. Inmiddels ben ik gepromoveerd tot projectmanager, een functie waarin ik meetings in goede banen moet leiden. Terwijl een conversatie vroeger als paniekvoetbal aanvoelde, lijkt het nu meer op pingpong: ik ben een aangenamere spreker én betere luisteraar geworden.”

Meer info? Op broddelen.be, de website van vzw BeSt, vind je heel wat nuttige links en informatie. Op toofastforwords.com creëerde ervaringsdeskundige Rutger Wilhelm een handige zelftest en checklist.