Gelein houdt een depressiedagboek bij. “Ik doop rosé vanaf nu om tot depressiesap”

doorRedactieop 29/09/2021

“‘Het kan slechter, maar het kan ook beter’, zei ik. Ik bedoelde: het gaat nu echt klote. In België zeg je veel zonder het te zeggen.” Sinds onze collega Gelein (34) het etiket ‘depressief’ opgeplakt kreeg, houdt ze een dagboek bij. Deze week vertelt ze hoe ze troost vindt bij ‘een bondgenoot’, hoe ze haar lelijke innerlijke stem Annemarie doopt en hoe drank de depressieduivel is. “Ik laat de depresderados staan.” 

DAG 21: Stuurloos 

Doelloos dobber ik de zomer verder door. Ik bak toch de koekjes en eet ze bijna allemaal zelf op. Ik ga naar de kapper. Ik dwaal wat door mijn stad en ontwijk de blik van mensen als ik zeg dat mijn dochters naar de opvang en crèche zijn. Ik weet dat ik thuis ben, Gerda, maar ik ben aan het rusten. De zon schijnt soms. Stuurloos voelt beter dan roerloos.

Ik ga morgen met een coach praten via mijn werk. Aan het eind van de zomer ligt een afspraak met een psycholoog vast. Hoe kom ik hieraan, hoe kom ik er weer van af? En dan vooral dat laatste.

Hoe kom ik hieraan? Dat deel ga ik haar besparen. Misschien zal ik een lijstje maken. Perfectionistisch, check. Onzeker, check. Extravert in een coronajaar, check. Moe wegens slecht slapende kinderen, check. Niet goed in zelfzorg, check. Aanleg? Waarschijnlijk check.

Maar hoe kom ik hier vanaf? Hoe voorkom ik dit? Die karaktertrekken, hoe werk ik daar omheen? Ga. Ik. Ooit. Weer. Willen. Werken?

Op één van mijn doelloze wandelingen kom ik een vriend van me tegen. Ik wist dat hij ook thuiszat van zijn werk. Ook al de hele zomer. Maar ik was dat — uiteraard — vergeten. Hij was één van de mensen die oprecht ‘Hoe is het met je?’ vroeg, een tijdje geleden. Op dat moment zat ik op een buurtfeest, met dertigduizend opgedraaide kindjes op dertigduizend springkastelen om me heen (zo voelde het, het waren ongeveer tien kindjes en één springkasteel). Compleet overprikkeld, niet goed. “Het kan slechter, maar het kan ook beter”, zei ik toen. Ik bedoelde: ‘Nu echt klote, maar ik ben verder gezond en m’n kinderen ook.’ Maar in België zeg je veel zonder het te zeggen.

Hij had zich zorgen over me gemaakt. Ik zei eerlijk dat ik thuis was omdat het niet meer ging. Ik zei niet eerlijk dat de huisarts het een depressie noemde. Ik vertelde een beetje hoe het was, en hij bleef lange tijd stil. “Weet dat je niet alleen bent.” En ik wist het weer. Dat hij ook thuis was. Dat ik een bondgenoot had. Hoeveel je kan zeggen zonder het te zeggen?

DAG 25: Annemarie is een trut 

“Hoe is het nu een beetje?” Het gesprek met Andere Coach begint goed. Een beetje, daar kan ik op antwoorden. “Een beetje goed en een beetje klote.” Het beetje klote overheerst. Ik huil als ik probeer uit te leggen wat er gaande is in dat hoofd van mij.

Hij is heel stellig: “Stop nu met je werk. Dat is niet de plek voor jou.” Ik weet het wel, maar wil het niet weten. Ik vind mijn collega’s fijn, het werk uitdagend. Maar net die uitdaging voelt nu als een integraal onderdeel van mijn zwarte wolk.

Ik zeg hem wat ik hier ook al schreef. Dat ik zo geschrokken ben dat achter mij het zwart alles overnam. Dat toen ik eindelijk omkeek, er niks meer was. “Maar meisje toch, wat moet dat eng zijn”, zegt hij. Voor me ligt inmiddels een giga snotbal van behuilde tissues. “Waar jij aan moet werken, is proactief zijn. Erkennen.” De tissueberg groeit. “Volgens mij wist je best wat er achter je gebeurde, maar durfde je niet om te kijken.” Touché. Tissue.

Ik ben als de dood dat mijn zwarte wolk weer terugkomt. Even rusten en werk doen waar ik me comfortabeler bij voel, is dan misschien de oplossing. Ik vind het wel een moeilijke keuze. Ik moet heel hard blijven onthouden dat de coach het beste met me voor heeft.

Wil je baas je gewoon weg hebben? En laat ze je dat door de coach zeggen?

Ik ben open tegen Andere Coach en vertel hem over die gedachte. Die lelijke innerlijke stem, die moet ik een naam geven, zegt hij. Ik roep ‘Annemarie’, mijn go-tonaam als ik liever anoniem wil blijven. De rest van het gesprek gaat het over Annemarie als persoon. Het voelt belachelijk, maar het helpt wel. Annemarie is namelijk nogal een trut.


Ben je wel echt depressief of gewoon lui? Je werk wil je niet eens terug. Stoppen is gewoon falen. Zie je wel dat je dit niet kunt. Wat ontzettend gênant. Niemand is geïnteresseerd in je gezeur, ga je dit echt naar een redactie sturen? Jezus, wat ben je dik geworden.

Het zien staan, is belachelijk. Ik zou zoiets nooit tegen iemand zeggen. Dus waarom zeg ik dit tegen mezelf? Of nee, waarom zegt die zure Annemarie dat tegen mij?

Ik heb veel om over na te denken, liefst zonder Annemarie erbij. Ik neem afscheid en zoek een prullenbak voor de tissue-snotbal. Andere Coach pakt hem gewoon op. “Niet erg, ik weet hoe het is. Ik heb ook dochters.” Haha, lach ik. Er heet er toch geen Annemarie? De coach lacht: “Ik heb een Anne en een Marie.” Haha, wat toevallig, lach ik. Nu tussen mijn kiezen door. Oeps.

DAG 28: Drank is de depressieduivel 

Halleluja voor de vaccinaties, mijn sociale leven begint weer op gang te komen. We gaan met ons gezin op vakantie naar Nederland. Ik neem mijn oudste dochter mee naar een kinderfestival en we blijven op het terrein kamperen. We gaan met z’n allen naar een concert en dansen tot we erbij neervallen. I love this.

Maar ik drink te veel. Ik word natuurlijk niet dronken bij Kapitein Winokio, maar een pintje hier of rosé daar, dat wel. Gezellig proosten als ik de vrienden weer zie, daar geniet ik van. Maar elk pintje is er eigenlijk één te veel. Al die vrolijkheid nu is geleend van morgen. Hoe meer ik drink, hoe shitter het de dag erna met me gaat. Zelfs met één drankje.

Andere Psycholoog zal vast zeggen dat ik alcohol helemaal moet laten staan. Ik vind haar nu al niet meer leuk. Gaat ze me wel kunnen helpen? Zal ze zeggen dat ik geen lijstjes meer moet maken, en zeg ik dan: “Oh, is dat het”, en is mijn depressie dan genezen? Of is Annemarie sterker dan Andere Psycholoog?

Ik vergeet aan wie ik allemaal heb verteld dat ik — casual hairflip — een beetje overwerkt ben. Aan wie ik ‘burn-out’ heb laten vallen. Of aan wie ‘depressie’. Maar ik geloof dat het wel rondgaat. Mensen die ik al maanden niet heb gesproken, vragen of ik weer aan het werk ben. Iedereen vraagt hoe het met me is. Of is dat normaal in een sociale situatie? Valt het me nu op omdat ik die vraag haat?

Meestal hoor ik het wel aan de manier waarop ze ‘hoe is het’ zeggen. Of er een handje op mijn bovenarm bij komt en een medelijdende blik. God, wat haat ik die vraag. En dat handje. En die blik. Ze bedoelen het goed, ik vind het ook heel lief. Maar wat moet ik antwoorden? Het gaat wel oké? Beetje bewolkt met af en toe een tranenbui?

Het gaat oké. Denk ik. Mijn man oordeelt ook dat het oké gaat. Er blijft een vriend eten voor wie ik een logo aan het borduren ben. Ik laat hem het work in progress zien en hij wil weten hoeveel werk in zoiets kruipt. “Haha”, zegt mijn man. “Ze heeft er de hele zomer al voor vrij genomen.” Daar proost ik op.

Als ik die klotegedachtes een naam geef (“Hoi Annemarie”), moet ik een rosé vanaf nu maar omdopen tot depressiesap. Een ‘glaasje troosteloos’ weigeren, is gemakkelijker dan een fris pintje. Als Andere Psycholoog dát voorstelt, ga ik haar misschien nog leuk vinden. Woensdag is onze eerste afspraak. Tot dan laat ik de depresderados wel staan.