Jessica (39) over leven na een zelfmoordpoging: “Nu zit ik een rolstoel, maar ik ben gelukkiger dan ooit”

doorRedactieop 02/05/2022

“Op een ochtend besliste ik dat die dag mijn laatste zou zijn”. Tien jaar geleden ondernam Jessica een zelfmoordpoging. En ze is niet alleen: want in Vlaanderen worden 25 zelfmoordpogingen per dag geregistreerd. Door die poging is Jessica voor de rest van haar leven aangewezen op een rolstoel. Toch is ze vooral dankbaar dat ze nog leeft en vertelt ze wat helpt om donkere gedachten te verdrijven. “Op heel slechte dagen gaf ik mijn zoon de schuld van die allesoverheersende droefheid.”

Ik vraag aan Jessica (39) wat ze vandaag zou zeggen aan haar tien jaar jongere zelf. Wat ze in het oor zou fluisteren van die jonge vrouw die op de achtste verdieping van een appartementsblok staat. Vol wanhoop. Klaar om het einde in de ogen te kijken. “Ik zou haar vertellen dat ze moet volhouden, dat het verdriet zal wegtrekken, dat er zoveel is om voor te leven, ook al ziet ze dat niet.”

Pure wanhoop

Na de geboorte van zoontje Tygo kampte Jessica met een postnatale depressie. Er was geen sprake van een roze wolk, het waren donkere stapelwolken die samentrokken in haar hoofd. Ze at en sliep niet meer, huilde de hele dag. Ze voelde zich doodmoe, angstig, schuldig, ellendig ... maanden aan één stuk. “Op een dag was ik er klaar mee.”

Jessica: “Een uitgekiend plan had ik niet. Wat ik deed was een daad van pure wanhoop. Op een ochtend besliste ik dat die dag mijn laatste zou zijn. Hoe ik er een einde aan zou maken, dat wist ik nog niet. Op mijn kamertje, in de psychiatrische instelling waar ik toen verbleef, heb ik eerst nog een en ander op papier gezet. Ik wilde niet dat er achteraf ruzie zou worden gemaakt over mijn zoontje en ik wilde dat mensen wisten dat het niet aan hen lag, dat het leven gewoon te zwaar was om te dragen. Daarna ben ik op de fiets gestapt en ben ik gestopt aan een flatgebouw. Mijn depressie nam het over, nam me als het ware bij de hand. Ik dacht niet meer helder, ik leefde in een roes. Ik weet nog dat ik zenuwachtig maar ook lichtjes euforisch was: straks zal het dan eindelijk voorbij zijn.”

Op een grijze wolk

“Als tiener had ik al eens diep gezeten. Ik slikte al een tiental jaar antidepressiva, tot mijn man en ik besloten om een kindje te krijgen en ik met die medicatie moest stoppen. Daar zag ik toen geen graten in. Ik voelde me al jaren prima. We hadden alles goed voor elkaar, een baby was de kers op de taart. Maar toen Tygo geboren werd, voelde ik geen vreugde, integendeel. Ik was de hele tijd doodmoe en intens verdrietig. Niets kon me nog boeien.” 

“Die gevoelens waren erg verwarrend. Ik had alles om gelukkig te zijn, waarom was ik het dan niet? Ik had geen band met Tygo. Ik raakte amper mijn bed uit. Ik kon het niet opbrengen om hem te voeden, laat staan om hem te knuffelen. Alles was te veel. Ik zag hem als een last. Op heel slechte dagen gaf ik Tygo de schuld van die allesoverheersende droefheid, want vóór zijn komst was alles zoveel beter geweest. Waarna ik me meteen schaamde: welke moeder dénkt nu zoiets? Ik voelde me schuldig tegenover mijn gezin. Daarom heb ik geprobeerd om die gevoelens te verbergen en de schijn op te houden, maar dat is niet vol te houden ...”

“Over postnatale depressie werd tien jaar geleden amper gesproken en dit voelde zoveel zwaarder dan de depressie die ik als tiener had gekend. Ik begreep dus helemaal niet wat er met mij aan de hand was. Ik dacht dat ik een slechte moeder was, en ik voelde me gefaald als echtgenote. Gaandeweg raakte ik ervan overtuigd dat iedereen beter af was zonder mij.”

Vallen en weer opstaan

“Ik heb die suïcidale gedachte uitgesproken, eerst tegen mijn man, later tegen de huisarts, waarna een lange weg van therapieën, medicatie en opnames begon. Niets hielp. Naar mijn idee maakte die dagelijkse cocktail aan pillen me angstiger dan ik al was. En ik voelde me tussen mensen met psychoses en agressieve neigingen allesbehalve op mijn plaats. Ik had ook niets aan goedbedoelde raad zoals ‘Het zonnetje zal heus wel weer voor je schijnen’ of ‘Meisje, herpak je!’ Ik voelde me meer dan ooit onbegrepen en mijn depressie ging van kwaad naar erger.”

“En toen was er dus die noodlottige dag. Als er asfalt had gelegen, dan kon ik het vandaag niet navertellen, maar de bosjes hebben mijn val opgevangen. Aan die val heb ik een incomplete dwarslaesie overgehouden. Mijn nek en mijn ribben waren gebroken, mijn lever en mijn milt waren gescheurd, mijn bekken en mijn schaambeen waren kapot. Alleen mijn hoofd, mijn armen en mijn benen waren ongedeerd. Ik heb een zware operatie gehad en ik heb helse pijnen doorstaan. Ik kon niet zelfstandig eten, niet zelfstandig plassen, ik kon amper bewegen. Die eerste weken leefde ik als een kasplantje. En uiteraard was mijn depressie niet verdwenen. Ik was erg boos dat ik het had gered.”

“Op een intensivecareafdeling is er helaas geen ruimte voor mentale zorg. Ze knappen je er lichamelijk op, en ze doen er alles aan opdat je vooral níét doodgaat, de rest moet wachten.”

Steen per steen

“Pas na een jaar mocht ik naar huis, waar mij nog een zware revalidatie te wachten stond. Om te revalideren moet je energie hebben, levenszin. Eenmaal thuis heb ik samen met een psychiater beslist om alle medicatie af te bouwen en opnieuw de antidepressiva te nemen die ik jaren geleden nam. Ik ben ook gaan praten met de therapeute die mij in mijn tienertijd had geholpen. Een klik hebben met je zorgverlener is van levensbelang, en die had ik eindelijk gevonden. Het is volgens mij de combinatie van de juiste hulpverlening en de juiste medicatie die ervoor gezorgd heeft dat na enkele maanden de donkere wolken in mijn hoofd zijn weggetrokken.” 

“Pas daarna heb ik mezelf weer kunnen opbouwen, steen per steen. Ik was namelijk alles kwijtgeraakt door die depressie: mijn job, een sociaal leven, een band met mijn kind ... Ook de verbinding met mijn man was zoek. We hebben elkaar echt moeten terugvinden. Maar ondanks alles is hij gebleven en ik weet nu dat onze relatie de grootste storm overleeft. Dat is veel waard.”

“In therapie heb ik geleerd om negatieve emoties een plaats te geven, om ook gevoelens van angst en boosheid te uiten en om mild te zijn voor mezelf. Met een helder hoofd vind ik nu geluk in heel kleine dingen: wanneer ik een eekhoorn spot in de tuin, deelneem aan een handbikewedstrijd, vrijwilligerswerk doe met oudere mensen of qualitytime spendeer met mijn zoon. Als ik vandaag naar mijn zoon kijk, dan kan ik niet geloven dat ik ooit getwijfeld heb aan mijn liefde voor hem. Hij is mijn alles. Het bewijst nogmaals dat depressie een ziekte is die een ander mens van je maakt. Heel gevaarlijk is dat. “

“Ook al ben ik voor de rest van mijn leven aangewezen op een rolstoel, ik ben vandaag gelukkiger dan ooit. Ik ben nog elke dag blij dat mijn zelfmoordpoging niet gelukt is. Ik ben dankbaar dat ik leef.”