Zorgen voor je seniore ouders: hoe ga je om met hun noden, koppigheid en eventuele gedragsproblemen? “Vaak durven ze niet te zeggen dat er iets schort”

doorRedactieop 29/10/2020

Niet elke tachtiger is blij met wat hem of haar nog rest in het leven. Eenzaam en alleen thuis of in het woonzorgcentrum de dagen slijten, met nu en dan een bezoekje van de familie: fijn is anders. En dus durven ze weleens geïrriteerd of koppig te zijn, blijken ze te trots om hulp te aanvaarden of gaan ze andere gedragsproblemen vertonen, die mogelijks symptomen zijn van een onderliggend cognitief probleem. Hoe zorg je optimaal voor je seniore ouders, zonder jezelf en je liefde voor hen te verliezen? Hoe ga je om met hun koppigheid? Op welke mentale en fysieke veranderingen moet je je voorbereiden? En kan een woonzorgcentrum of medicatie de oplossing zijn? Een ouderenpsycholoog, onderzoeker en geriater lichten toe. “Wie senioren wil helpen, walst vaak over hen heen. Hoe goed de bedoelingen ook zijn.”

Voor we alle senioren op één grijze hoop gooien: er is een groot verschil tussen ­generaties. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat de vroege babyboomers, geboren vanaf 1941, een pak mondiger zijn dan hun voorgangers, ‘de stille generatie’. Die stille tachtigers, geboren tussen 1930 en 1940, zijn doorgaans jaknikkers die zich makkelijker naar gezag schikken, de zachtaardige oudjes die altijd meegaand en opgewekt zijn. Althans: zo lijkt het. 

“Schijn kan bedriegen”, zegt Luc Van de Ven, klinisch ouderenpsycholoog verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven. “Ik ken ouderen die voor ‘buitenstaanders’ zeer charmant zijn, maar veeleisend tegenover hun kinderen. Evengoed ken ik zogenaamde ‘gemakkelijke senioren’. Meestal hielden ze al heel hun leven lang rekening met anderen. Hun probleem is dat hun kinderen dikwijls niet weten hoe ze zich echt voelen: ze doen altijd alsof alles prima is.”

Niet zelden durven die ‘stille ouderen’ niet aan te geven wat er schort. Ann Peuteman, journaliste en auteur van het boek ‘Grijsgedraaid’, weet uit diepgaande gesprekken met tientallen senioren dat ze dat soms erg moeilijk vinden: “Wie senioren wil helpen, walst vaak over hen heen, hoe goed de bedoelingen ook zijn. Af en toe zouden we de tijd moeten nemen om te vragen: ‘Vind jij dit wel oké?’ of ‘Hoe voel je je daarbij?’ Veel ouderen zijn bezig met hoe hun kinderen zich hen zullen herinneren. Ik ken een oudere dame die zich per se sterk wil houden en daarom niet aangeeft dat ze zich slecht voelt, uit angst dat haar kinderen zich alleen dat zullen herinneren. Die gedachtegang kan een soort ruis op de relatie tussen ouders en kinderen leggen.”

Koppige ouderen

“Bij ouderen valt veel weg dat ‘neutraliserend’ kan werken op hun emoties en angsten. Vroeger konden ze bijvoorbeeld nog afspreken met vrienden, maar dat lukt niet meer altijd. Ze moeten dus meer op zichzelf terugplooien. Als ze dan bezoek krijgen van familie, gaat het vaak over praktische zaken. Vaker praten over waar ze goed in waren of zijn of wat hen interesseert, en niet alleen over hun gezondheid of noden, kan deugd doen.” 

Anders gaat het eraan toe bij de vroege babyboomers. Zij hebben hun carrière en privéleven gemaakt in volle economische bloei. Ze hebben WO II niet aan den lijve ondervonden, kenden doorgaans geen beperkingen en konden hun hele leven genieten van hun vrijheid. Vooral deze groep laat zich niet zomaar dicteren wat wel of niet mag. “Stoppen met autorijden? Nooit.” “Iemand in huis halen om te helpen en te koken? In geen honderd jaar!” 

Ergens valt die reactie te begrijpen, zegt Peuteman: “Kinderen nemen met de allerbeste bedoelingen dingen uit handen. Ze vinden een aantal zaken niet meer verantwoord voor hun ouders, zoals een tweede glas wijn drinken op restaurant. Daardoor ontstaan er wrijvingen. Tegelijk zijn er structurele redenen voor die ‘koppigheid’. Waarom willen veel ouderen nog met de auto rijden? Ze zijn bang geïsoleerd te raken. Want het openbaar vervoer is een gevaar, met die hoge opstap en met chauffeurs die vertrekken vooraleer je op een stoel zit ...”

Voor bestwil

Wrijvingen tussen ouders en kinderen ontstaan niet van de ene dag op de andere. Maar geleidelijk aan komt er een verschuiving in wie zorg draagt voor wie. Wanneer ouderen het ­lastig vinden om hun achteruitgang te accepteren, vinden ze het doorgaans ook moeilijk om advies van hun kinderen te volgen. Van de Ven: “Elke familie heeft een unieke geschiedenis en elke situatie is anders. Toch hoor je als hulpverlener dikwijls de uitspraak ‘Ik wil mijn huis niet verlaten!’, zelfs als thuis blijven wonen geen optie is. Er zijn veel mantelzorgers die zelf ziek worden, omdat ze per se zelf thuis voor hun ouders wilden blijven zorgen.”

Hoe reageer je het best op die koppigheid die te maken heeft met verlies van mobiliteit, capaciteiten en persoonlijke vrijheid? Luc Van de Ven: “Soms moet je als kind leren je grenzen te stellen. We zouden allen ook moeten evolueren naar ‘omgekeerd ouderschap’. Dan nemen kinderen bij voorkeur samen met hun ouders belangrijke beslissingen. Tenzij het niet anders kan, dan beslissen de kinderen alleen. Het enige argument: uit liefde.” 

“Dat is voor beide partijen moeilijk, omdat je met loyaliteitsconflicten en schuldgevoelens te maken krijgt. Professionele hulpverleners zoals psychologen kunnen daarbij helpen. Mentaal gezonde hoogbejaarden kunnen soms veel beter met hun kinderen over gevoelens praten via psychotherapie en familietherapie dan rechtstreeks. De huisarts kan eventueel bemiddelen en doorverwijzen naar een therapeut. In de therapie gaan we op zoek naar zaken die nog betekenis kunnen hebben voor de oudere.”

Af en toe zijn heftige reacties van senioren het gevolg van een onderliggend probleem, waardoor cognitieve capaciteiten verminderen en karaktertrekken veranderen. Van de Ven: “Bij dementie zijn de veranderingen vaak zo merkbaar dat de omgeving het makkelijk ziet en accepteert. In het geval van een ‘milde cognitieve beperking’, met subtielere persoonlijkheidsveranderingen, is dat veel moeilijker. In de helft van de gevallen zien we na ongeveer vijf jaar dat het toch om een vorm van dementie gaat, in de andere helft niet. Voor de naaste familie is dat vaak problematischer dan wanneer er een vastomlijnde diagnose gesteld is. Niet weten waarom je moeder of vader zich zo gedraagt tegenover jou, blijkt veel lastiger. Laat dus snel onderzoeken of er een verborgen oorzaak is.”

Prof. Jos Tournoy, geriater aan de KU Leuven: “Gedragsveranderingen bij senioren, zoals agitatie, agressie en ­prikkelbaarheid, maar evenzeer hallucinaties of paranoïde ­gedachten, kunnen veroorzaakt worden door dementiesyndromen. De gedragsveranderingen kunnen in de twee richtingen plaatsvinden: soms verandert een makkelijke persoon in een moeilijke, of wordt een lastige persoon net een rustiger iemand.”

Geen gelukspilletje

Kan medicatie helpen? Prof. Jos Tournoy, geriater in het UZ Leuven: “Wanneer je als arts de gedragsveranderingen bij ouderen wil aanpakken, moet je er rekening mee houden dat de oorzaak vaak een organische ziekte is waar de patiënt zelf weinig invloed op heeft. Ten tweede worden de gedragsveranderingen door de senioren zelf niet altijd als abnormaal of moeilijk ervaren. Meestal hebben zij de indruk dat het de omgeving is die moeilijk doet, en dat het met hen goed gaat. Dat maakt het extra moeilijk.” 

“We proberen het altijd eerst met niet-medicamenteuze maatregelen, beginnend met de vraag: waarom vertoont die persoon dat gedrag? Als de maatregelen niet helpen en de ouderen er te erg onder lijden, of als ze een gevaar worden voor zichzelf of de omgeving, zetten we de stap naar medicatie. Let wel: globaal genomen is er een enorm overgebruik van medicatie zoals antidepressiva of neuroleptica. We moeten ons daarvoor behoeden. Dit type van medicatie kan namelijk ook nevenwerkingen hebben, zoals slaperigheid, wat dan weer meer risico geeft om te vallen of zich te verslikken. Een andere bijwerking is een verhoogde kans om dement te worden.” 

“Wanneer we zien dat aan een oudere, opgenomen op onze afdeling, vandaag gemiddeld tien medicijnen voorgeschreven worden, dan zijn drie daarvan mogelijk overbodig. Uit ons onderzoek blijkt dat dit soort medicatie vooral in woonzorgcentra vaak niet afgebouwd wordt na vier tot zes weken, omdat de vrees bestaat dat de gedragsveranderingen zullen terugkeren. Maar die gedragsveranderingen fluctueren ook natuurlijk, ze kunnen zonder medicatie spontaan naar een ander of normaler niveau gaan. Kort gezegd: voor heel veel gedragsproblemen bij senioren bestaat er niet zoiets als de perfecte medicatie zodat ze zich gelukkiger kunnen voelen. De problemen zijn veel structureler en hebben vaak te maken met isolatie en eenzaamheid. Dat vergt veel meer dan zomaar een pilletje.”

Ideale oude dag?

Geriater prof. Jos Tournoy: “Ik vind het belangrijk dat we de nadruk leggen op de veerkracht die veel ouderen bezitten. Ondanks de beperkingen kunnen ze toch nog een hoge levenskwaliteit bereiken door aanpassingen die ze zelf initiëren of die door de omgeving of maatschappij gefaciliteerd worden. We moeten dringend af van het woonzorgcentrum zoals het nu bestaat.” Peuteman voegt toe: “Er is te veel ingezet op manieren om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. In een woonzorgcentrum zie je dus vooral de meest hulpbehoevende mensen. Zo worden woonzorgcentra nog minder aantrekkelijk. Was er een grotere mix, dan zouden er meer activiteiten mogelijk zijn en zouden mensen elkaar meer kunnen helpen.”

Sommige woonzorgcentra pakken het anders aan sinds de coronacrisis, ook op vraag van de bewoners. Wat willen ze nog in hun leven? Daar wordt nu op ingespeeld. Prof. Jos Tournoy: “Het woonzorgcentrum van de toekomst moet veel meer deel uitmaken van de samenleving. In Leuven is er bijvoorbeeld een kinderopvang opgestart binnen een woonzorgcentrum, zodat verschillende generaties met elkaar in contact blijven. Dat blijkt een positieve ervaring te zijn voor alle partijen. Het vergt veel moed en energie om dergelijke initiatieven op te starten, maar onze maatschappij heeft er echt nood aan.”

Meer lezen?
‘Grijsgedraaid: Waarom we bang moeten zijn om oud te worden’, Ann Peuteman (Uitgeverij Vrijdag, 20 euro)
Eind 2020 verschijnt van haar ook: ‘Verplant: Waarom het heerlijk wonen kan zijn in het woonzorgcentrum’.

Tekst: Els de Pauw