Zo overleven prematuurtjes

doorRedactieop 09/02/2009

Twee roze streepjes op de zwangerschapstest! Hét begin van negen onvergetelijke maanden - de misselijkheid en andere kwaaltjes nemen we er graag bij - met als apotheose: een baby! Het is het scenario dat voor de meeste jonge ouders staat neergeschreven. Toch lijken baby's steeds vaker aanstalten te maken tot een vroeggeboorte. Positieve keerzijde van de medaille is dan weer dat zelfs extreem premature kinderen vandaag steeds meer kansen hebben op een kwaliteitsvol leven.

23 weken als grens
Op 100 baby's worden er zeven te vroeg geboren, waarvan zes tussen de 32 en 37 weken zwangerschap en eentje - de zogeheten extreem premature baby - onder de 32 weken. De grenswaarde waarbij wordt besloten om zo'n baby bij de geboorte te 'laten gaan', zo stellen artsen en ethici, ligt momenteel in Europa op 23 weken. 'Uiteraard trek je die grens niet met een streep', stelt Dr. Piet Van Haesebroek van de dienst neonatologie in het UZ Gent. 'Maar de kans op overleving voor zo'n baby is dermate klein en het risico op een ernstige handicap danig groot dat je beter geen intensieve zorgen start. Je moet immers oppassen dat je de techniek, die vandaag wel degelijk ver staat, niet als een heilig huisje gaat beschouwen dat alles verantwoordt en mogelijk maakt.'

Ouders die hun baby op 24 of 25 weken zien geboren worden, bevinden zich dan weer in de 'grijze zone'. Van Haesebroek: 'Samen met de artsen voeren deze ouders overleg over de toekomst van hun kind. Op die leeftijd kunnen we intensieve zorgen starten, maar de eindresultaten zijn vaak nog erg bedroevend. Het scharnierpunt ligt op 26 weken, met een overlevingskans van 70 procent en - hoewel nog steeds niet te onderschatten - een dalend risico op ernstige handicap. En dat was vijftien jaar geleden wel anders!'

Nauwgezette opvolging
Ook kinderneurologe Ann Oostra zag de kansen voor extreem prematuren de voorbije jaren flink evolueren. 'Wat hierbij een enorm grote rol heeft gespeeld, is de onmiddellijke doorverwijzing van de aanstaande moeder en haar nog ongeboren baby naar een universitair centrum voor neonatologie van zodra zij te vroeg in arbeid gaat. Moeder en kind krijgen dan meteen én op het juiste adres de nodige medicatie en zorgen toegediend, waardoor heel wat handicaps bij de baby kunnen worden vermeden. Situaties waarin een premature baby ergens op het platteland wordt geboren en een uur in een ambulance ligt om over een hobbelige weg naar een ziekenhuis te worden gebracht - waardoor alle kansen van de baby verkeken raken - zijn vandaag ondenkbaar.

Bovendien konden artsen zo'n vijftien jaar geleden enkel gissen of een prematuur al dan niet een (zware) mentale of motorische handicap aan de vroeggeboorte zou overhouden. Vandaag weten ze dat erg snel. Kinderen die geboren worden onder de 32 weken en/of met een geboortegewicht onder de 1500 gram, worden sowieso opgevolgd door een netwerk van artsen, kinesisten en psychologen. Zij zien ze op de leeftijd van vier maanden, waarbij wordt vastgesteld of er al dan niet motorische problemen zijn, op tien maanden voor een eerste mentale ontwikkelingstest, vervolgens op twee jaar voor een taaltest en uiteindelijk op vierjarige leeftijd voor het opsporen van eventuele leermoeilijkheden. Vanaf de eerste levensmaanden krijgt een prematuur dus de kans op aangepaste therapie en/of medicatie.'

Typische problemen
Problemen waarmee een extreem premature baby te maken kan krijgen, blijken nogal typisch: spasticiteit in de benen (in zwaardere vorm worden ook de armen getroffen), mentale problemen, visueel-ruimtelijke en rekenproblemen, en (milde) autismestoornissen. Oostra: 'De toestand van prematuren onder de 26 weken is ook vandaag nog vrij onthutsend: zo'n 70 procent kampt met een matige tot ernstige handicap. Eens de 26 weken voorbij, doet ongeveer 40 procent het later goed, heeft zo'n 50 procent lichte leerstoornissen of concentratieproblemen en heeft nog slechts tien procent een echte handicap. Dat maakt dat zo'n 90 procent van de overlevende prematuren boven de 26 weken uiteindelijk toch een kwaliteitsvol leven gaat leiden en dat moet uiteindelijk het streefdoel blijven.'

De medische vooruitgang
De kansen voor extreem premature baby's zijn over de laatste twintig jaar fors toegenomen en dit door een belangrijke medische vooruitgang op verschillende vlakken:

1. Onmiddellijke doorverwijzing van een zwangere moeder in arbeid met haar nog ongeboren baby naar een universitair centrum.
2. Beter opgeleid verplegend personeel dat - indien nodig - de eerste en tevens levensnoodzakelijke zorgen aan de pasgeboren baby kan toedienen.
3. Betere medische apparatuur.
4. Betere medicatie (kinderen met matige spasticiteit kunnen tegenwoordig Botox toegediend krijgen waardoor ze kunnen leren stappen; de groep die in een rolwagen zit, is vandaag zeer klein).
5. Beter beleid door kinderartsen, neonatologen en gynaecologen.

Door Nathalie Vandecasteele
Goed Gevoel, februari 2009